Binnen de energietransitie is sneller eveneens het toverwoord. De doelstellingen van de energietransitie zijn niet te halen en dat komt mede door de lange doorlooptijd bij het verlenen van een vergunning. Het gevolg is onder andere dat het te lang duurt voordat er een elektriciteitsnet ligt zonder congestieproblemen. Bij een congres waar ik laatst was stelde de vertegenwoordiger van een netbeheerder dat een elektriciteitsnet binnen twee jaar is te bouwen. De bouw kan echter pas starten na acht jaar voor het doorlopen van procedures, waaronder de vergunningverlening.
Het kabinet wil de vergunningverlening bij de uitrol van elektriciteitsnetten drastisch inkorten. Ook vanuit Europa neemt de druk toe de vergunningprocedures te versnellen. Iedereen is het hier roerend mee eens. Ik ben nog niemand tegengekomen die vindt dat de vergunningprocedures niet sneller hoeven te gaan. De bal ligt bij de vergunningverleners, vaak gemeenten, die maar eens sneller moeten gaan werken.
Dit is het makkelijke verhaal.
Een discussie over het versnellen van vergunningen begint bij het afwegen van de voor- en nadelen. Dit klinkt logisch, maar deze afweging speelt toch nauwelijks een rol. Een vergunning kan een effectief instrument voor een overheid zijn om publieke belangen te borgen. Bij een vergunning toetst een overheid vooraf of bepaalde activiteiten van een onderneming geen publieke belangen schaden. In de energiewetgeving staat bijvoorbeeld dat elke consument recht heeft op een betrouwbare levering van elektriciteit. De ACM toetst bij de vergunningverlening vooraf of een leverancier die betrouwbaarheid kan garanderen. Als een netbeheerder in een gemeente wil bouwen, toetst de gemeente bij het afgeven van een omgevingsvergunning of die bouw voldoet aan de maatschappelijke normen voor de fysieke omgeving.
Het nadeel van een vergunning is uiteraard dat een onderneming pas kan starten met het uitvoeren van de activiteiten (zoals de bouw van een windpark of het elektriciteitsnet) nadat deze een vergunning heeft gekregen. Vanwege deze belemmering is Europa nooit enthousiast over vergunningen geweest. Met de Dienstenrichtlijn uit 2006 heeft Europa paal en perk willen stellen aan vergunningen. In de huidige Europese energiepakketten is erkend dat de lange vergunningprocedures een ernstige belemmering zijn de strategische doelen binnen de energietransitie te halen. De Europese Commissie is daarom met versnellingsvoorstellen gekomen.
Eén van die voorstellen is dat een lidstaat bij het realiseren van een duurzaam energieproject, waaronder een goed functionerend elektriciteitsnet, als rechtsvermoeden moet hanteren dat dergelijke projecten een hoger belang dienen. Een lidstaat kan onderbouwen dat andere belangen (zoals defensie) alsnog zwaarder moeten wegen. Het uitgangspunt moet zijn dat deze projecten vanwege dit hogere belang versneld een vergunning moeten krijgen. Dit is een effectieve manier voor versnelling. Dit betekent namelijk dat een vergunningverlener andere belangen niet of in mindere mate hoeft af te wegen. Toch is niet helemaal duidelijk wat nu de gevolgen zijn van deze keuze vanuit Europa.
“Het lijkt mij dat Europa wil dat de minister het rechtsvermoeden gaat bepalen wanneer gemeenten andere belangen mogen meewegen”
Het rechtsvermoeden van een hoger belang lijkt bijvoorbeeld de ideale oplossing voor het vermaledijde stikstofprobleem of de zorgen over de waterkwaliteit in Nederland. Klaarblijkelijk geeft Europa Nederland de ruimte een goede natuur- en waterkwaliteit in Nederland minder zwaar te laten wegen dan een duurzaam energieproject of de uitbreiding van het elektriciteitsnet. Europa geeft deze ruimte, maar alleen als een lidstaat voldoende heeft gedaan de natuur en het water daadwerkelijk te beschermen. Hier hoef ik geen nadere uitleg te geven over de positie van Nederland. Europa geeft geen excuus om niets meer te doen binnen het stikstofdossier.
Een meer principieel gevolg van het rechtsvermoeden is dat Europa vaststelt welke belangen wij in Nederland moeten afwegen. Er ligt nu een zaak voor bij het Europese Hof van Justitie die gaat over de ruimte die een lidstaat nog heeft andere belangen zwaarder te laten wegen. Een gemeente weigerde een vergunning aan een onderneming die windmolens wilde aanleggen. De windmolens zouden het landschap aantasten en zouden bovendien op landbouwgrond komen te staan. Volgens de onderneming was de gemeente verplicht een hoger belang toe te kennen aan de realisatie van een duurzaam energieproject en mocht de gemeente de andere belangen niet meewegen.
Een ander gevolg van het rechtsvermoeden van het hoger belang is dat Europa de bal bij de centrale overheid legt. Het lijkt mij niet de bedoeling van Europa dat elke gemeente zelf kan bepalen of zij het rechtsvermoeden van het hoger belang wil hanteren of toch een uitzondering maakt. Dat zou betekenen dat elke gemeente, net als nu, alsnog alle belangen moet gaan afwegen. Het lijkt mij dat Europa wil dat de minister het rechtsvermoeden gaat bepalen wanneer gemeenten andere belangen mogen meewegen.
Het is wel een instrument waarvan de grenzen niet duidelijk zijn. Bovendien zie ik een risico op inflatie van hogere belangen. Ik sluit niet uit dat Europa meer strategische doelen als een hoger belang wil aanmerken, zoals defensie, aanleg van woningen, innovatie, beschikbaarheid van grondstoffen etc. Als alles een hoger belang dient dan betekent dit uiteindelijk dat alle belangen, net als nu, even zwaar wegen. Het is de vraag of de vergunningsverlening daarmee per saldo echt sneller, sneller, sneller wordt.